

Het waterbeleid van het Waterschap Roer en Overmaas is neergelegd in het Waterbeheersplan Waterschap Roer en Overmaas 2010-2015 en is gebaseerd op Europese, nationale en provinciale regelgeving. Het algemeen bestuur van het waterschap vertaalt dit globale beleid in één document dat in zes jaar geldig is.
Klik hier voor het Waterbeheersplan Waterschap Roer en Overmaas 2010-2015 inclusief kaarten en bijlagen.
Het waterbeheersplan bevat concrete zaken die het waterschap in een periode van zes jaar gaat aanpakken. Denk daarbij aan investeringen, de visie van het waterschap op het waterbeheer in Zuid- en Midden-Limburg en beslissingen over de uitvoering van nieuwe projecten. Hieronder een overzicht van de voornaamste beleidslijnen, van Europees naar regionaal niveau. Om aan te geven dat water heel belangrijk is voor Nederland en dat we streven naar een duurzaam waterbeheer, maken we bij de communicatie gebruik van het logo van Nederland leeft met water. Klik hier voor het persbericht over het waterbeheersplan.
De Europese Kaderrichtlijn Water (KRW) is een Europese richtlijn gericht op de verbetering van de kwaliteit van het oppervlaktewater en het grondwater. Het doel is dat al de wateren binnen de Europese Unie in 2015 in een ‘goede toestand’ verkeren. Bij het bepalen van een ‘goede toestand’ onderscheidt de KRW drie soorten water: natuurlijk; sterk veranderd; kunstmatig. De plannen voor de verbetering van de waterkwaliteit moeten van Brussel breed worden gedragen. De KRW verplicht de lidstaten tot de opstelling van (inter)nationale stroomgebiedbeheersplannen. Welke betekenis deze richtlijn heeft in Zuid- en Midden-Limburg kunt u lezen in deze nieuwsbrief van het Waterschap Roer en Overmaas (pdf) . Veel procesinformatie en actuele ontwikkelingen vindt u ook op www.kaderrichtlijnwater.nl
Het werkgebied van het Waterschap Roer en Overmaas hoort uiteraard bij het stroomgebied van de Maas. De informatie voor de beheerplannen wordt ontleend aan de plannen van het Rijk (nota waterhuishouding), provincie (waterhuishoudingsplannen), gemeenten en waterschappen (waterbeheersplannen).
In stroomgebiedbeheersplannen komen straks alle milieudoelstellingen voor het grond- en oppervlaktewater en de beschermde gebieden te staan. Belangrijker is nog dat ook de maatregelen erin komen te staan om deze doelstellingen te bereiken. Hierbij moet u denken aan herstel- en inrichtingsmaatregelen voor oppervlaktewateren, het schoonmaken van waterbodems en het weer laten slingeren van beken, het verbeteren van het zuiveringsvermogen van rioolwaterzuiveringsinstallaties en het verminderen van het gebruik van bestrijdingsmiddelen.
De normen voor de ecologische, chemische en kwantitatieve doelstellingen komen vast te liggen in een algemene maatregel van bestuur (AmvB) op basis van de Wet milieubeheer. In 2009 moeten de lidstaten van de EU voor ieder stroomgebieddistrict een eerste stroomgebiedbeheersplan klaar hebben. Dit plan wordt elke zes jaar herzien.
Na het hoge water van 1993, 1995 en de wateroverlast van de jaren daarna, was duidelijk, dat we anders met water om moeten gaan. Ons klimaat verandert en dit heeft gevolgen voor onze waterhuishouding. Het weer wordt extremer met korte maar hevige regenbuien, meer smeltwater dat via de rivieren ons land binnenkomt en stijging van de zeespiegel. Om te voorkomen dat dit ook tot meer wateroverlast leidt hebben Rijk, provincies, gemeenten en waterschappen het Waterbeleid 21ste Eeuw ontwikkeld. De kern van het Waterbeleid 21ste eeuw is: water moet de ruimte krijgen, voordat het die ruimte zelf neemt. In het landschap en in de stad moet ruimte gemaakt worden om water op te slaan, bijvoorbeeld door het aanleggen van vijvers in woonwijken.
- Anticiperen in plaats van reageren. Door nu al maatregelen te nemen wordt overlast in de toekomst voorkomen.
- Techniek en ruimte worden slim gecombineerd. Het is én zoeken naar ruimte voor water én zorgen dat onze dijken en gemalen technisch gezien voldoen. Hogere dijken en sterkere gemalen alleen zijn niet de oplossing. Wanneer we een dijk verhogen betekent dit, dat er meer water achter de dijk staat. Bij een dijkdoorbraak zijn de gevolgen dan des te groter. Hogere dijken zijn zwaarder. Bovendien daalt onze bodem, die ook op veel plaatsen drassig is en daardoor zakken de dijken weg. Naast dijkverhoging moeten we er dus ook voor zorgen dat het water op andere wijze de ruimte krijgt.
- Vasthouden, bergen, afvoeren. Een overvloed aan water wordt nu opgevangen waar deze ontstaat. Het bergen vindt plaats in speciaal daarvoor bestemde gebieden. Daardoor kunnen we het uiteindelijk ook op een meer gecontroleerde wijze afvoeren.
Meer informatie is ook te vinden op de site van de gezamenlijke campagne van het Rijk, de provincies, de waterschappen en de gemeenten over de uitgangspunten van het toekomstig waterbeleid: www.nederlandleeftmetwater.nl
Dit akkoord vloeide voort uit het nieuwe Waterbeleid 21e eeuw. Door klimaatverandering, een stijgende zeespiegel en hevigere neerslag en bodemdaling krijgen we steeds vaker te maken met wateroverlast. Zonder ingrijpende maatregelen houden we het niet droog. Technische maatregelen (dijken en andere waterkeringen, pompen en gemalen) alleen zijn niet meer genoeg. We moeten water letterlijk meer ruimte geven. Waterberging op het land is nodig, waar mogelijk in combinatie met landbouw en natuur. Waterberging moet een prominente plaats krijgen in het ruimtelijke ordeningsproces.
Op 2 juli 2003 is het Nationaal akkoord ondertekend door het rijk, de provincies, gemeenten en waterschappen. Dit 'contract' tussen rijk, provincies, gemeenten en waterschappen omvat een pakket maatregelen om de wateroverlast in Nederland aan te pakken. De vier overheden leggen in het akkoord vast wat op het gebied van regionaal waterbeheer moet gebeuren, met welk tempo, wat het kost, en wie, waarvoor verantwoordelijk is.
In het bestuursakkoord is indertijd een programma van maatregelen afgesproken voor de termijn 2003-2007. Totale kosten voor deze periode bedragen 1,3 miljard euro. Het rijk draagt hieraan éénmalig bij met 100 miljoen euro. Het betreft ruim 250 regionale projecten, groot en klein, die kunnen ingezet in het kader van het ruimte-voor-waterbeleid uit het Waterbeheersplan 21e eeuw. Deze projecten en activiteiten komen voort uit de meerjarenprogramma's van de waterschappen.
In het Provinciaal Omgevingsplan Limburg, zoals in 2001 vastgesteld, zijn het streekplan, het milieubeleidsplan, het waterhuishoudingsplan, het verkeers- en vervoersplan en het grondstoffenplan geïntegreerd. In het POL zijn op hoofdlijnen provinciebrede uitgangspunten ten aanzien van het waterbeheer opgenomen en wordt ingegaan op de rol en taak van de regionale waterbeheerders. In de “Blauwe waarden” staat het behoud en herstel van een veerkrachtig watersysteem centraal. Daarbij komen onder andere de doelstellingen en ambities voor waterkwaliteit, retentie, waterbodemkwaliteit, beekherstel, verdrogingsbestrijding en erosiebestrijding aan bod. De beekdalen vormen belangrijke dragers voor de provinciale ecologische structuur (PES). Beken
met een specifiek ecologische functie liggen grotendeels in de PES en dienen 2023 aan hun functiedoelstelling te voldoen. In het POL is tevens aan de waterschappen verzocht om het concept van de “Blauwe Knooppunten” over te nemen in het beleid. Het noordelijke deel van ons beheersgebied (voormalige gemeente Echt tot en met Roermond) maakt deel uit van het Reconstructiegebied. Het Reconstructieplan is een POL-aanvulling waar we rekening mee moeten houden en waar we voor het aspect “water” uitvoering aan moeten geven. Alle uitgangspunten uit het POL zijn leidend gewest voor het waterbeheersplan van ons waterschap.
Eind 2002 is door de Provincie Limburg in samenwerking met de waterbeheerders in het kader
van WB21 de Stroomgebiedsvisie Limburg opgesteld. Hierbij is aangegeven welke maatregelen nodig zijn om het watersysteem in de 21e eeuw op orde te brengen en te houden, rekening houdend met een (landelijk) in ontwikkeling zijnde nieuwe, scherpere normering en een klimaatsverandering waarbij in 2050 10% meer neerslag verwacht wordt. Concreet is hierbij in beeld gebracht wat de ydrologische
consequenties zijn van de nieuwe normering en de verwachte klimaatsveranderingen (wateropgave).
Ook is hierbij een globale (lange-termijn-)raming opgesteld.
