In dit artikel zijn begrippen opgenomen die in het kader van de toepassing van de keur van belang zijn. Voor zover noodzakelijk worden de verschillende begrippen hieronder nader toegelicht.
d. beschermingszone: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet, met de toevoeging dat die zone in de legger is vermeld en dat het betreffende oppervlaktewaterlichaam of waterkering wordt beschermd door voorschriften krachtens deze keur. In deze omschrijving wordt de relatie gelegd tussen de legger met de ligging, vorm, afmetingen en constructie van dat oppervlaktewaterlichaam of waterkering en de keur met haar instrumentarium om die waterstaatswerken daadwerkelijk te beschermen tegen ingrepen van derden;
e. bestuur: het bevoegde bestuursorgaan voor het nemen van besluiten krachtens deze keur is het dagelijks bestuur van Waterschap Roer en Overmaas;
g. grens van het oppervlaktewaterlichaam:: zie de toelichting bij het begrip ‘insteek’;
h. grondwater: de omschrijving van dit begrip is uit de Waterwet overgenomen, met de toevoeging dat het in deze keur om een onderdeel van het grondwater gaat. Het gaat om dat grondwater, voor zover het waterschap door de Waterwet belast is met het beheer van dat onderdeel van het grondwater. Het gaat hierbij om al het water dat zich in de grond bevindt;
j infiltreren van water: dit is geheel overgenomen uit de Waterwet. Deze handelingen hebben effecten op de hydrologische toestand van het grond- en oppervlaktewater. Op basis van de Europese Grondwaterrichtlijn (zie artikel 6.18, tweede tot en met vierde lid) dient in het afwegingskader ook gelet te worden naar de eventuele kwalitatieve gevolgen voor het grondwater. Aan deze vorm van infiltreren is een handeling verbonden, bijvoorbeeld met plaatsen van een grindkoffer of het verzamelen van water achter een verhoging waar het kan infiltreren;
k. insteek: bij de bepaling van deze grens zijn de taludhelling en de maaiveldhoogte de bepalende factoren. In de 'principetekeningen begrenzing oppervlaktewaterlichamen' die als bijlage 1 bij deze toelichting zijn opgenomen is de insteek weergegeven;
l. inundatiegebieden: een inundatiegebied vervult een functie in de tijdelijke berging en afvoer van het overtollige water. Teneinde deze functie te kunnen waarborgen is het noodzakelijk om een mogelijkheid te hebben om activiteiten die deze functie kunnen belemmeren te kunnen reguleren. De inundatiegebieden worden aangegeven in de legger en zijn geclassificeerd als waterstaatswerk;
m. legger: de legger is een registratie van waterstaatswerken waarbij de normatieve toestand van beheersobjecten in geografisch, morfologisch en hydrologisch opzicht is vastgelegd. Met normatief wordtde situatie bedoeld zoals deze 'zou moeten zijn’. Uit de legger blijkt tevens waar welke ge- en verboden in een concrete situatie van toepassing zijn.
In het beheersregister worden alle benodigde beheersgegevens vermeld, zoals hydrologische beheersgegevens, ontheffingsgegevens en onderhoudsgegevens. In de dagelijkse praktijk wordt het beheersregister gebruikt om snel inzicht te verkrijgen in de theoretische en actuele situatie. Gegevens voor toetsing of voor beheer en onderhoud moeten operationeel beschikbaar zijn. De legger zal in de praktijk minder vaak worden gebruikt, maar is wel van belang voor het juridisch kunnen handhaven en sturen van taken.
Zoals in het algemene deel van de toelichting is aangegeven, zijn er twee soorten leggers. Eén op basis van artikel 5.1 van de Waterwet en één op basis van artikel 78 van de Waterschapswet. Waterschap Roer en Overmaas heeft beide leggers gecombineerd tot één legger waarin is vastgelegd waar welke geboden en verboden gelden en waaruit duidelijk is wie onderhoudsplichtige is.
Uit artikel 68 van de Waterschapswet blijkt verder dat de legger kracht van bewijs bezit, behoudens tegenbewijs, in het kader van de uitvoering van aanschrijvingen tot het toepassen van bestuursdwang.
Bij de vastlegging van onderhoudsverplichtingen in leggers worden evenwel geen nieuwe verplichtingen in het leven geroepen, ze leggen enkel bestaande onderhoudsverplichtingen vast. De legger moet zodanig zijn ingericht dat derden daaruit in combinatie met de bepalingen uit de keur kunnen lezen wat in concreto de omvang c.q. reikwijdte is van het stelsel van ge- en verbodsbepalingen. De fysieke begrenzingen van de verschillende zones en de normatieve toestand zijn uit de legger af te lezen en niet uit de keur zelf;
n. lijnvormige elementen: lijnvormige elementen zijn groenstroken die dwars op de helling, dus dwars op de afstroomrichting, zijn aangelegd. De functie van een lijnvormig element is tweeledig: het verminderen van afstroming van regenwater en de invang van afspoelende bodemdeeltjes. Lijnvormige elementen zijn opgenomen in de legger en zijn geclassificeerd als waterstaatswerk;
o. meanderzones: het instellen van een meanderzone vindt plaats langs primaire wateren die vanuit het waterhuishoudingsplan en/of het waterbeheersplan hun meanderende karakter moeten behouden c.q. verkrijgen. Om dit meanderende karakter te kunnen behouden c.q. verkrijgen, dient voorkomen te worden dat activiteiten worden verricht die het meanderproces kunnen belemmeren. De meanderzones worden aangegeven in de legger;
p. notitie taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas: notitie waarin met betrekking tot aanleg, onderhoud en beheer wordt aangegeven waar en hoe het waterschap haar taak als watersysteembeheer uitvoert:
r. ondersteunende kunstwerken: een bodemval, syphon/grondduiker, knijpconstructie, gemaal, terugslagklep, spindelschuif, waterverdeelwerk, stuw, vistrap, watermolen, dam/dijk, waterinlaatpunt, leegloop of zandvang.
s. onttrekken: dit begrip is deels overgenomen uit de Waterwet en gaat in op zowel het onttrekken van grondwater, als op het onttrekken van water aan oppervlaktewaterlichamen. In artikel 1 derde lid van de vervallen Grondwaterwet was opgenomen dat ontwaterings- en afwateringsactiviteiten zijn uitgezonderd van het onttrekkingsbegrip. Dat geldt ook voor het hier opgenomen begrip ‘onttrekken van grondwater’. Het artikel 4.5, lid 2 onder a van de keur ziet dus niet op ont- en afwateren. Dit is nader uitgewerkt in artikel 4.4 onder a, sub 2 van de keur.
Bij het onttrekken van grondwater dient er altijd sprake te zijn van een pomp-put-combinatie. Dit is niet geval bij het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam.
t. oppervlaktewaterlichaam: dit begrip is overgenomen uit de Waterwet. Het betreft oppervlaktewater met de daarin aanwezige stoffen, de waterbodem, de oevers (dat kunnen ook de drogere oevergebieden zijn, voor zover die uitdrukkelijk krachtens de Waterwet zijn aangewezen) en flora en fauna.
De drogere oevergebieden zijn via de Invoeringswet Waterwet toegevoegd aan dit begrip. Dat is nodig vanwege het opnemen van de regeling voor de waterbodemsanering in de Waterwet (afkomstig uit de Wet bodembescherming) en het onderscheid daarbij tussen de sanering van de landbodem en de waterbodem.
Het begrip oppervlaktewaterlichaam gaat verder dan de op grond van de Kaderrichtlijn Water door de waterbeheerders als oppervlaktewaterlichamen bestempelde wateren (zie het begrippenschema). Deze ruime omschrijving gaat ook verder dan de omschrijving van het begrip ‘oppervlaktewater’, zoals dat door de jurisprudentie in de jaren ’80 en ’90 is gevormd.
Het gaat hierbij om oppervlaktewater, zoals de sloot, de beek, de rivier, het meer; kortom het gaat om de bak waarin het water zit.
Met het begrip ‘water’ wordt bedoeld de substantie in de formule H2O. Dat begrip komt voor in hoofdstuk 4, waarin het aanvoeren van water of het onttrekken van water aan een oppervlaktewaterlichaam of een grondwaterlichaam is gereguleerd.
Het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’ komt in de plaats van de in het verleden veel gehanteerde begrippen ‘watergangen of waterlopen’. Het begrip is opgenomen omdat de regionale waterbeheerder zijn beheertaken uitvoert in en om oppervlaktewater.
Het begrip oppervlaktewaterlichaam is onderdeel van het meer omvattende begrip waterstaatswerk, welk begrip op zijn beurt weer deel uitmaakt van het brede begrip watersysteem. Watersysteem is het meest omvattende van alle in de Waterwet en hier gebruikte begrippen. Het is hét object van beheer in de Waterwet. Voor de waterbeheerder en voor derden is het essentieel dat een ieder weet waarover het gaat en vooral wat de reikwijdte is van ge- en verbodsbepalingen in relatie tot bepaalde beheerobjecten. De begrippen moeten onderscheiden worden, omdat het beheer gericht kan zijn op onderdelen van het watersysteem. Splitsen is niet mogelijk, want het waterbeheer wordt integraal uitgevoerd.
Uitoefening van de beheertaak waterkeringen mag in principe niet ten koste gaan van bijvoorbeeld het aquatische ecosysteem van oppervlaktewateren in de nabijheid. Op zijn minst zal de beheerder dan moeten proberen achteruitgang te compenseren. Het gaat immers om het behalen van de doelstellingen, zoals die in Hoofdstuk 2 paragraaf 1 van de Waterwet in algemene termen zijn omschreven. Paragraaf 2 en 3 van dat hoofdstuk leggen normen voor de onderscheiden beheerobjecten vast om daarmee die doelstellingen nader te concretiseren.
Voor Waterschap Roer en Overmaas geldt dat regenwaterbuffers, grasbanen die bedoeld zijn om water te geleiden, bijvoorbeeld droogdalen of weg-watergangen ook als oppervlaktewaterlichaam worden beschouwd.
v. primaire wateren: met de aanduiding 'primair' wordt de waterstaatkundige relevantie van de desbetreffende wateren tot uitdrukking gebracht. Primaire wateren zijn wateren van meer dan plaatselijk belang danwel waterhuishoudkundig van dusdanig belang dat ter zake vergaande waterschapsbemoeienis gewenst is.
De primaire wateren zijn opgenomen in de legger. Hiermee wordt op eenvoudige wijze zichtbaar gemaakt welke wateren primair zijn en in welke gevallen de desbetreffende ge- en verbodsbepalingen van toepassing zijn.
Meer concreet betreft het wateren ten aanzien waarvan op basis van de Notitie ‘Taakopvatting watersysteembeheer Waterschap Roer en Overmaas’ de verantwoordelijkheid voor het beheer en ook het feitelijk onderhoud bij het waterschap berust. Dit geldt eveneens voor de werken die zijn aangebracht met het doel het water aan zijn waterstaatkundige bestemming te doen beantwoorden.
Teneinde een optimale invulling van de waterschapsverantwoordelijkheid in deze mogelijk te maken, zijn voor deze wateren ge- en verbodsbepalingen in deze keur opgenomen, waarvan door middel van vergunning onder voorschriften ontheffing kan worden verleend.
w. profiel van vrije ruimte: dit begrip is gevormd door jurisprudentie (zie de uitspraak van de Rechtbank Middelburg (Awb 07/3891, 29 januari 2008) en opgenomen in de model Waterverordening van het IPO. Het profiel is noodzakelijk om in de toekomst nodige gronden te vrijwaren van onomkeerbare ingrepen. Bij de aanwijzing van een profiel van vrije ruimte moet voldoende concreet zijn dat er in dat gebied daadwerkelijk wijzigingen van het oppervlaktewater of de waterkering zullen plaatsvinden. Tot het profiel van vrije ruimte behoren ook de herinrichtingstroken, zoals deze zijn aangegeven in het waterbeheersplan. De geboden en verboden ten aanzien van het profiel van vrije ruimte gelden voor oppervlaktewaterlichamen en waterkeringen waarlangs een dergelijk profiel is aangegeven in de legger.
x. secundaire wateren: dit zijn oppervlaktewateren die waterstaatkundig van minder belang zijn en vanuit dat gezichtspunt een minder vergaande waterschapsbemoeienis vergen dan de primaire wateren. Het aantal ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot de secundaire wateren is zeer beperkt. Deze oppervlaktewateren hebben wel een wezenlijke invloed op het watersysteem.
aa. waterkering: het waterschap beheert niet alleen de primaire, maar ook de regionale waterkeringen. Het begrip dekt beide soorten kering.
bb. watersysteem: zie de toelichting bij het begrip ‘oppervlaktewaterlichaam’.
ff. Wet: dit is de Waterwet, waarop het keurinstrumentarium inhoudelijk is gestoeld, naast de betreffende Provinciale waterverordening Limburg.
In het onderstaande schema staan de enkele van de hiervoor genoemde begrippen ten opzichte van elkaar weergegeven.
[Zie voor het schema bijlage 2. schema begrippen.]
Ingevolge het bepaalde in dit artikel zijn de gebruikers verplicht de ingevolge de keur op de eigenaar rustende verplichtingen na te komen ingeval er sprake is van een zakelijk of persoonlijk gebruiksrecht.
Eigenaren, overige zakelijk gerechtigden tot, en gebruikers van de grond zijn hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van verplichtingen, die ingevolge de keur op de eigenaar van de grond rusten. Veelal is immers niet de eigenaar, maar de feitelijke gebruiker van de grond degene die bij machte is aan die verplichtingen te voldoen of die bij de voldoening aan die verplichtingen is gebaat.