In dit artikel zijn begrippen opgenomen die in het kader van de toepassing van de keur van belang zijn. Voor zover noodzakelijk worden de verschillende begrippen hieronder nader toegelicht.
Onder c. wordt het begrip legger omschreven. De legger is een registratie van primaire wateren en waterkeringen met bijbehorende werken.
Ingevolge artikel 78, lid 2 van de Waterschapswet is het algemeen bestuur bevoegd tot het vaststellen van de legger.
Hoewel de tekst van de bepaling mogelijk anders suggereert, blijkt uit de memorie van toelichting expliciet dat de wetgever het oog had op een bevoegdheid en niet op een verplichting. Uit de Waterschapswet kan dan verder worden gelezen dat de legger met name van belang is voor het toezicht door het waterschap van de in de keur opgenomen ge- en verboden: uit de legger blijkt namelijk welke ge- en verboden in een concrete situatie van toepassing zijn.
Uit artikel 68 van de Waterschapswet blijkt verder dat de legger kracht van bewijs bezit, behoudens tegenbewijs, in het kader van de uitvoering van aanschrijvingen tot het toepassen van bestuursdwang.
Bij de vastlegging van onderhoudsverplichtingen in leggers worden evenwel geen verplichtingen in het leven geroepen, ze leggen enkel bestaande onderhoudsverplichtingen vast. De legger moet zodanig zijn ingericht dat derden daaruit in combinatie met de bepalingen uit de keur kunnen lezen wat in concreto de omvang c.q. reikwijdte is van het stelsel van ge- en verbodsbepalingen. De fysieke begrenzingen van de verschillende zones zijn aldus uit de legger af te lezen en niet uit de keur zelf.
Onder e. wordt het begrip wateren omschreven. Het begrip oppervlaktewater wordt in dit kader niet nader gedefinieerd. Aangesloten wordt bij de begripsomschrijvingen in de (jurisprudentie op artikel 1, eerste lid van de) Wet Verontreiniging Oppervlaktewateren. Ook de Verordening Waterhuishouding Limburg gaat van deze uitleg uit waar het gaat om de beschrijving van het beheersobject van de waterschappen.
Onder f. wordt het begrip primaire wateren omschreven. Met de aanduiding 'primair' wordt de waterstaatkundige relevantie van de desbetreffende wateren tot uitdrukking gebracht. Primaire wateren zijn wateren van meer dan plaatselijk belang danwel waterhuishoudkundig van dusdanig belang dat terzake vergaande waterschapsbemoeienis gewenst is.
De primaire wateren zijn opgenomen in de legger. Hiermee wordt op eenvoudige wijze zichtbaar gemaakt welke wateren primair zijn en in welke gevallen de desbetreffende ge- en verbodsbepalingen van toepassing zijn.
Meer concreet betreft het wateren ten aanzien waarvan op basis van de Notitie 'Normering primair oppervlaktewater' de verantwoordelijkheid voor het beheer en ook het feitelijk onderhoud bij het waterschap berust. Dit geldt eveneens voor de werken die zijn aangebracht met het doel het water aan zijn waterstaatkundige bestemming te doen beantwoorden.
Teneinde een optimale invulling van de waterschapsverantwoordelijkheid in dezen mogelijk te maken, zijn voor deze wateren ge- en verbodsbepalingen in deze keur opgenomen, waarvan door middel van vergunning ontheffing kan worden verleend.
Onder g. wordt het begrip secundaire wateren omschreven. Dit zijn oppervlaktewateren die waterstaatkundig van minder belang zijn en vanuit dat gezichtspunt een minder vergaande waterschapsbemoeienis vergen dan de primaire wateren. Het aantal ge- en verbodsbepalingen met betrekking tot de secundaire wateren is zeer beperkt.
Onder h. wordt het begrip beschermingszones omschreven.
Beschermingszones langs primaire wateren zijn noodzakelijk omdat de toegankelijkheid van de wateren gewaarborgd moet zijn ten behoeve van herstelwerkzaamheden en/of het kunnen realiseren van noodzakelijke verbeteringswerken.
Allerlei bedrijvigheden blijken zich uit te strekken tot op de grens van het primaire water, als gevolg waarvan de bereikbaarheid ernstig wordt bemoeilijkt en in vele gevallen zelfs geheel geblokkeerd.
Teneinde bepaalde activiteiten die binnen deze zones plaatsvinden te kunnen reguleren, is hiervoor een vergunningplicht in het leven geroepen.
Beschermingszones langs waterkeringen zijn noodzakelijk om de waterkering te kunnen beschermen tegen inbreuken die mogelijkerwijs ontstaan ten gevolge van activiteiten die in de nabijheid van de kering plaatsvinden.
In deze keur zijn evenwel nog geen verbodsbepalingen opgenomen die gelden voor de zones langs waterkeringen. Nader onderzoek is vereist voordat invulling kan worden gegeven aan de verbodsbepalingen die gelden in beschermingszones langs waterkeringen.
Onder i. wordt het begrip onderhoudsstroken omschreven. Het doel van een onderhoudsstrook is het bieden van ruimte voor het voeren van onderhoud van de primaire wateren. Het gaat met name om machinaal te verrichten onderhoud.
Omdat op de onderhoudsstroken met name de verbodsbepalingen van artikel 8 lid 1 van toepassing zijn worden de stroken opgenomen in de legger, zodat op eenvoudige wijze kan worden beoordeeld waar de verbodsbepalingen van toepassing zijn.
Onder j. wordt het begrip meanderzones omschreven. Het instellen van een meanderzone vindt plaats langs primaire wateren die vanuit het waterhuishoudingsplan en/of het waterbeheersplan hun meanderende karakter moeten behouden c.q. verkrijgen. Om dit meanderende karakter te kunnen behouden c.q. verkrijgen dient voorkomen te worden dat activiteiten worden verricht die het meanderproces kunnen belemmeren.
De meanderzones worden aangegeven in de legger.
Onder k. wordt het begrip inundatiegebieden omschreven. Een inundatiegebied vervult een functie in de tijdelijke berging en afvoer van het overtollige water. Teneinde deze functie te kunnen waarborgen is het noodzakelijk om een mogelijkheid te hebben om activiteiten die deze functie kunnen belemmeren te kunnen reguleren.
De inundatiegebieden worden aangegeven in de legger.
Onder m. en n. worden de begrippen insteek en teen omschreven.
Op plaatsen waar een water of een waterkering een duidelijk profiel heeft (genormaliseerde wateren en recent gerealiseerde waterkeringen) is de ligging van de insteek of de teen duidelijk.
De ligging van de insteek of de teen komt in deze gevallen overeen met de theoretische grens van het talud met het maaiveld. In een (groot) aantal gevallen is echter sprake van een grillig, sterk wisselend profiel waarbij de insteek of de teen in het terrein niet of moeilijk aan te geven is.
In deze gevallen geldt als insteek of als teen de theoretische grens van het talud en het maaiveld. Bij de bepaling van deze grens zijn de taludhelling en de maaiveldhoogte de bepalende factoren.
Teneinde de begrippen zoals genoemd in artikel 1 onder e, h, i, j, k, l en m te verduidelijken is als bijlage bij deze toelichting een situatietekening en een dwarsprofiel gevoegd waarin de hiervoor genoemde begrippen inzichtelijk gemaakt zijn.