Het algemeen bestuur van het Waterschap Roer en Overmaas;
gezien het voorstel van het dagelijks bestuur d.d. 28 juni 1999, waterschapsblad 1999, nummer 18, inzake vaststelling van een Verordening aanwijzing toezichthouders op de naleving van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas en de Wet op de waterhuishouding;
gelet op de inwerkingtreding van de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht;
BESLUIT
de navolgende Verordening aanwijzing toezichthouders op de naleving van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas en de Wet op de waterhuishouding vast te stellen:
Delegatie aan dagelijks bestuur
Artikel 6
Het dagelijks bestuur is bevoegd om toezichthouders aan te wijzen.
Per 1 januari 1998 is de derde tranche van de Algemene wet bestuursrecht in werking getreden. In deze derde tranche zijn o.a. regels opgenomen met betrekking tot handhaving.
In verband hiermee werd de Waterschapswet op bovengenoemde punten overeenkomstig de Awb aangepast. Regelgeving van het waterschap moet met deze aanpassingen in overeenstemming worden gebracht.
Aanpassingen als gevolg van de derde tranche Awb
De Unie van Waterschappen heeft inzake deze ontwikkelingen een circulaire uitgebracht. Voorzover waterschapsambtenaren niet reeds bij of krachtens wettelijke bepaling met het toezicht op de naleving van bijzondere wetten zijn belast, vereist de Awb dat zij bij of krachtens een besluit van het algemeen bestuur (bij of krachtens verordening) als toezichthouder worden aangewezen. Dit laatste zal met name moeten gebeuren met het oog op het toezicht op de naleving van de keur.
Bij besluit van 8 maart 1993 heeft het dagelijks bestuur reeds toezichthouders op de naleving van het bij of krachtens de Wet op de waterhuishouding bepaalde, aangewezen. Sedert deze aanwijzing hebben zich echter enkele personele wijzigingen voorgedaan, waardoor wijziging van deze aanwijzing op zijn plaats is, met intrekking van de aanwijzing bij besluit van 8 maart 1993. De derde tranche van de Awb heeft ook een wijziging van de Wet op de waterhuishouding teweeg gebracht. De bevoegdheden van de toezichthouders stonden voorheen in de wet zelf. Na invoering van de derde tranche Awb staan deze bevoegdheden in afdeling 5.2 van de Awb.
Als gevolg van de Awb kan het algemeen bestuur bij verordening vaststellen dat er toezichthouders op de naleving van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas en de Wet op de waterhuishouding zullen worden aangewezen, hun taken en bevoegdheden (met de eventuele beperkingen daarvan) regelen en bepalen dat de aanwijzing van de toezichthouders op basis van delegatie door het dagelijks bestuur zal plaatsvinden.
Het is raadzaam om deze aanwijzing van toezichthouders op de naleving van de keur en de Wwh in één verordening te regelen, aangezien de aan te wijzen toezichthouders voor beide regelingen gelijk zijn.
Hoofdstuk 2 Taken
Artikel 2
De toezichthouders, aangewezen bij deze verordening, zijn belast met het houden van toezicht op de naleving van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas en de Wet op de waterhuishouding. De bepalingen in de keur bevatten in beginsel uitsluitend geboden en verboden die zich richten tot derden. De keur bestaat uit drie gedeelten: een algemeen gedeelte, een gedeelte met betrekking tot wateren en een gedeelte met betrekking tot waterkeringen. Van de in de keur en de Wwh genoemde ge- en verbodsbepalingen kan bij schriftelijke vergunning ontheffing worden verleend. Aan een zodanige vergunning kunnen voorschriften worden verbonden.
De taak van de toezichthouders bestaat dan uit het controleren van de naleving van deze regelingen opgenomen ge- en verboden alsmede van de vergunningen en de daarbij verbonden voorschriften.
Artikel 3
Een toezichthouder kan slechts gebruikmaken van zijn bevoegdheden voorzover dat redelijkerwijs voor de vervulling van zijn/haar taak nodig is (artikel 5:13 Awb). Het gaat hier om het evenredigheidsbeginsel.
Het evenredigheidsbeginsel houdt in ieder geval in dat de toezichthouder een bevoegdheid niet mag uitoefenen als dat voor de vervulling van zijn taak niet redelijkerwijs noodzakelijk is. Uit het beginsel vloeit voort dat de toezichthouder zijn bevoegdheid op de voor de burger minst belastende wijze moet uitoefenen. Het evenredigheidsbeginsel betekent dat een bevoegdheid slechts mag worden uitgeoefend jegens de personen die betrokken zijn bij activiteiten waarop krachtens de Keur van het WRO en de Wwh moet worden toegezien.
Het evenredigheidsbeginsel waarborgt ook dat bijvoorbeeld geen inzage wordt gevorderd van andere bescheiden of dat geen andere zaken worden onderzocht dan die welke verband houden met de wettelijke voorschriften waarop het toezicht in het concrete geval betrekking heeft.
Het toezicht, zoals aan de orde in afdeling 5.2, moet (vooral) gezien worden als toezicht op de naleving van wettelijke voorschriften alsmede vergunningvoorschriften. Het gaat daarbij niet om intern-bestuurlijk toezicht, maar om toezicht op voor burgers geldende wettelijke verplichtingen, oftewel handhavingstoezicht of nalevingstoezicht.
Hoofdstuk 3 Bevoegdheden
Artikel 5
De 'standaardregeling' van afdeling 5.2 van de Awb wordt als uitgangspunt genomen, waardoor de toezichthouders over alle in afdeling 5.2 opgenomen bevoegdheden beschikken. Het gaat daarbij om:
het betreden van plaatsen al dan niet zich de toegang daartoe verschaffend met behulp van de sterke arm en al dan niet vergezeld met de door de toezichthouder daartoe aangewezen personen (5:15);
het vorderen van inlichtingen (5:16);
het vorderen van inzage van zakelijke gegevens en bescheiden en het maken van kopieën daarvan (5:17);
het onderzoeken van zaken, het opnemen daarvan, monsterneming en het openen van verpakkingen (5:18);
het stilhouden van en onderzoeken van (de lading van) vervoermiddelen (5:19).
Daarnaast bestaat er een medewerkingsplicht voor een ieder bij de uitoefening van de toezichtsbevoegdheden door de toezichthouder, tenzij een beroep kan worden gedaan op geheimhouding uit hoofde van wettelijk voorschrift, ambt of beroep (5:20).
Beperkingen
Bij besluit van het algemeen bestuur van het waterschap kunnen de aan de toezichthouder toekomende bevoegdheden worden beperkt. Op dit moment wordt geen aanleiding gevonden om de bevoegdheden in de voorliggende verordening te beperken.
Hoofdstuk 4 Aanwijzen toezichthouders
Delegatie aan dagelijks bestuur
Artikel 6
Bij deze verordening stelt het algemeen bestuur vast dat er toezichthouders op de naleving van de Keur van het Waterschap Roer en Overmaas en de Wet op de waterhuishouding zullen worden aangewezen, worden hun taken en bevoegdheden geregeld en wordt voorts bepaald dat de aanwijzing van de toezichthouders door middel van delegatie door het dagelijks bestuur zal plaatsvinden.
De categoriale aanwijzing door het dagelijks bestuur noemt de dienst waartoe de met toezicht belaste personen behoren en is een besluit van algemene strekking.